Op de valreep

14 januari 2019
ijmuiden

In het donateursmagazine De Reddingboot van januari 2019 staat een ingekort interview met Ton Haasnoot over de redding van elf Denen uit een reddingvlot, maar dat doet geen recht aan het hele interview. Michiel Scholtes sprak hem veel uitgebreider dan dat we in het blad konden vastleggen. Daarom hier het hele verhaal:

Hoeveel betekenis kan een moment hebben? Reddingbootschipper Ton Haasnoot zit 25 augustus 2018 naast zijn net overleden vader - oud-reddingbootschipper - als zijn pieper gaat. KNRM’ers zijn wel wat gewend als het gaat om weggeroepen worden bij familie en vrienden, maar deze keer komt het wel erg ongelegen. Vader Haasnoot ‘in ruste’ is echt-er vol begrip en Ton springt op de fiets. ‘Prio 1, vaartuig maakt water’: zegt het bericht van de Kustwacht. Als Ton minuten later bij de reddingboot aankomt, is dat alles wat hij weet. Terwijl de opstappers een na de ander aan boord rennen, vraagt Ton aan de Kustwacht: “Wat weten jullie?” Hij krijgt twee details: een epirb-positie, 7 mijl ten westen van Zandvoort en een afgebroken mobiel gesprek dat repte van 11 man in een reddingsvlot ‘buiten Amsterdam’. Epirb? Die wordt uit zichzelf pas actief als hij loskomt uit een zinkend schip. Binnen tien minuten na de eerste melding vaart reddingboot Nh 1816 langs de havenhoofden van IJmuiden.

Altijd ruw
Ton: “Nee, bij vertrek zit ik zelden zelf op de bok. Dit keer stuurde Richard van der Hammen, plaatsvervangend-schipper. Ik ben dan vooral manager. Ik overleg, communiceer, verwerk informatie, schep overzicht, bereid de bemanning voor op wat gaat komen. Alleen bij heel riskante manoeuvres, als het er echt op aan komt, stuur ik zelf.
De binnenkomende informatie stelde een beetje gerust. Lood-stender Draco was ter plaatse, evenals de Annie Poulisse, reddingboot van Zandvoort en de Paul Johannes, reddingboot van Noordwijk aan Zee. Al snel kregen we verbinding met een SAR-helikopter, die had zicht op oranje rook en een red-dingvlot. De heli meldde dat alle 11 bemanningsleden in het vlot zaten. Goddank, niemand was vermist, we hoefden niet te gaan zoeken, gewoon ‘homen’ op die heli.

“Bij aankomst werk je volgens het SAP-protocol: Stop, Assess, Plan. Daarbij kijk je of er rond zo’n vlot geen lijnen ronddrijven die in de jets kunnen komen, hoe de drenkelingen er aan toe zijn, wat wind en zeegang doen. Ik had al bedacht hoe we het vlot zouden gaan benaderen. Bij hoge zee houd ik het liefst de kont op de golven. Dit keer waren die niet hoger dan 1,5 tot 2 meter, dus gewoon onze kont naar het vlot gekeerd en de klep neergelaten. We verwaaiden nauwelijks. Zo’n overname is altijd ruw. Vlot en ons achterschip bewogen wild ten opzichte van elkaar, je moet oppassen dat je er niet bovenop slaat en iemand of iets beschadigt. Die Denen moesten dus door ons geholpen het goede moment pakken om over te stappen en dat was voor een paar ouderen, zestigers, een hele onderneming. Gelukkig was het zeewater warm, in het voorjaar zou het veel slechter hebben kunnen uitpakken.”

Spontaan
“Toen we ze alle elf druipend en zout aan boord hadden, ging het in tempo terug naar IJmuiden; de twee andere reddingboten zochten nog naar persoonlijke spullen van de drenkelingen. Ik ben in dan nog steeds gewoon aan het werk en niet met de geredden maar met varen bezig. Natuurlijk zie je vanuit je ooghoek wel het een en ander, ze waren duidelijk bedrukt, een paar lieten een traantje. Wat je niet weet is of er misschien toch iemand water of gasolie binnen heeft, gekneusd is of onderkoeld is geraakt. Zo snel mogelijk zette de heli bij ons een medic aan dek en die stelde gelukkig vast dat iedereen het medisch gezien goed maakte.
Aan de wal kreeg ik tijd om me met hen bezig te houden. Toen pas kwam bij mij de vraag op: Wie is eigenlijk de schipper? Dat bleek Henrik Grønberg. Die maakte indruk. Hij bleef heel rustig, wilde zijn bemanning bijeen houden, afzonderen zelfs. Maar de buitenwereld komt toch binnen. De politie wilde hem natuurlijk vragen stellen. Wij deden intussen ons best met droge kleren, warme drank en eten. En er viel ontzettend veel te regelen. Veel Denen hadden niets meer, geen papieren, geen portemonnee. Hun koffers, tassen, muziekinstrumenten, mobieltjes lagen op de zeebodem. We hebben ze ondergebracht in hotels en geholpen met het verkrijgen van tijdelijke reisdocumenten. Sommigen zelfs met geld. Ook dat is mijn rol. Dat gaat allemaal heel spontaan. Je gaat door tot de slachtoffers aangeven dat de nazorg klaar is.”

Kus
Ton Haasnoot staat aan de vooravond van zijn pensionering. Hoe is het om op de valreep nog zo’n redding te doen? Nuchter zegt hij: “Op het laatst nog 11 man oppakken is mooi. Het reddingwerk is prachtig en het is toch genoeg geweest. Fysiek wordt het steeds zwaarder en dan moet je stoppen. Mijn vader beleefde dat net zo, de zee is prachtig maar niet vriendelijk, je moet niet doorgaan tot je een keer in de fout gaat. Deze winter blijf ik nog stand-by. Dan is er meer tijd voor mijn kinderen. En ik wil weer mee met een trawler, kijken hoe het tegenwoordig is op de visserij, zeeonderzoek, mijn oude vak.”
En wat is het mooiste compliment dat hij meeneemt? Zijn medailles en oorkondes? Herinneringen? Ton lacht.
“Een kus van mijn vrouw.”