HOME

Logo KNRM

Wat weet jij?

Als je iets wéét, kun je beter inschatten wat je kunt, of moet doen. Dat geldt helemáál als je leven er van af kan hangen, zoals om of op het water. Wat weet jíj?

In deze module vindt u de digitale lesmiddelen van Waterveilig die over het thema ‘Wat weet jíj?’ gaan.
In de lerarenhandleiding vindt u suggesties hoe u deze middelen in kunt zetten voor uw les.

Klik op de afbeelding om de lerarenhandleiding te bekijken.

waterveilig lerarenhandleiding omslag

Werkblad 1: Test wat jíj weet! Een vragenformulier voor de leerling. 

Klik op de afbeelding om het werkblad te bekijken.

waterveilig werkblad test wat jij weet knrm reddingsbrigade



Download de pdf met drie stemknipvellen
knipvel

Doe de quiz!

Een online klassikale quiz op het digibord. Gebruik eventueel de stemknipvellen om de leerlingen het antwoord omhoog te houden.

De quiz is hieronder te vinden.

DEEL DIT BERICHT
 

Quiz: Wat weet jij?

Vraag 1: Stel, je zit in een zinkende auto. Hoe kom je er het best uit?

  1. Je wacht af tot de auto vol met water gelopen is en doet dan de deur open.
  2. Je doet meteen de deur open om uit te stappen.
  3. Je opent een zijraampje dat nog boven water is en klimt meteen uit de auto.
Vraag 2: Het is druk op de weg naar school. Je ziet iemand in het kanaal vallen. Wat doe je als EERSTE?

  1. Ik spring er meteen achteraan.
  2. Ik rij door, want iemand anders kan beter helpen dan ik.
  3. Ik bel 112 en roep hulp in voordat ik zelf ga helpen.
Vraag 3: Stel, je zakt door het ijs. Wat doe je?

  1. Ik sla het ijs tot aan de kant stuk en klim dan uit het water.
  2. Ik probeer met zwemslagen weer op het dikkere ijs te klimmen.
  3. Ik roep om hulp en wacht af tot die er is.
Vraag 4: Waarom moet je bij het schaatsen extra goed uitkijken onder bruggen?

  1. Het ijs is daar meestal dunner en dus onbetrouwbaar.
  2. Je kunt bij elke brug je hoofd stoten.
  3. Bij bruggen is het altijd drukker en dus gevaarlijker.
Vraag 5: Van welk dier heb je GEEN last als je naar een Nederlands strand gaat?

Vraag 6: Je zwemt in zee en de stroming in een mui drijft je van de kust af. Wat doe je?

  1. Tegen de stroming in terug zwemmen.
  2. Ik laat me met de stroming mee drijven.
  3. Evenwijdig aan het strand de stroming uit zwemmen en dan terug naar de kust.
Vraag 7: Wat betekent deze vlag?



  1. Het is verboden om te zwemmen.
  2. Het is gevaarlijk om te zwemmen.
  3. Verbrandingsgevaar: UV-factor hoger dan 18.
Vraag 8: Wat betekent deze rood-gele vlag op het strand?



  1. Toezicht door een strandwacht: verboden voor watersporters.
  2. Hier is zwemmen gevaarlijk en binnenkort verboden.
  3. Einde toezicht strandwacht: zwemmen op eigen risico.
Vraag 9: Alcohol drinken en zwemmen gaan niet samen. Welk gevaar loop je dan?

  1. Verdrinking door onderkoeling en zelfoverschatting.
  2. Verdrinking door duizeligheid en een warm gevoel.
  3. Glas in je voet en misselijkheid.
Vraag 10: Je gaat na het zonnebaden op een heet strand meteen zwemmen in koud water. Welk risico loop je?

  1. Zwemmerseczeem.
  2. Zwemmerskramp.
  3. Zwemmersvermoeidheid.
Vraag 11: Welke rivier is gevaarlijker om in te zwemmen?

 

  1. De linker: daar varen grote schepen in.
  2. De rechter: vanwege de scherpe rotsblokken.
  3. Allebei zijn ze gevaarlijk vanwege de stroming.
Vraag 12: Je gaat zeilen op een klein meer. Moet je een zwemvest aan?

  1. Ja, maar alleen als je niet kunt zwemmen.
  2. Ja, dat is altijd veiliger.
  3. Nee, dat is op een klein meer nergens voor nodig.
Vraag 13: Waarom moet je in Italiaanse zwembaden een badmuts op hebben?

  1. Dat staat gezelliger: leuk voor de badmeester.
  2. Dan kan de badmeester je roepen op de kleur van je badmuts: 'Hé, Rosso!'.
  3. Dan komen er geen haren in het zwemwater.
Vraag 14: Waar komt de naam 'schoolslag' vandaan?

  1. Omdat een groep zwemmers op een school vissen lijkt.
  2. Deze zwemslag leerde je als eerste op zwemles.
  3. Daarmee blijft je hoofd boven water en kun je net zo goed opletten als op school.
Vraag 15: Stel, je bent aan het surfen. Hoe raak je het snelst onderkoeld?

  1. Als je stil blijft liggen op je surfplank.
  2. Als je zonder surfplank naar het strand zwemt.
  3. Als je op je surfplank naar het strand peddelt.
 
 

Lees meer:

Extra lesmateriaal

Films

Extra lesmateriaal

Posters

Extra lesmateriaal

Excursies