HOME

Werden redders vroeger opgeleid?

Wanneer de KNRM tegenwoordig een nieuwe vrijwilliger inschrijft als redder, dan volgt er in de eerste twee jaar een uitgebreid opleidings- en oefenprogramma. Een vrijwilliger hoeft dus in principe geen vooropleiding hebben gehad.
Vroeger bestond er geen andere instructie dan: “één hand voor het schip en één voor jezelf”. Wat niet veel meer betekende dan “hou je vast en zorg dat de reddingboot ergens komt”. De schipper van de reddingboot koos vroeger zelf de roeiers die hij wilde meenemen aan boord. De twaalf reddingvesten die daarvoor beschikbaar waren werden daarvoor uitgedeeld aan de beste roeiers.

Pas met de komst van motorreddingboten werden er eisen gesteld aan de bemanning. Er moesten capabele mensen zijn om in de machinekamer te kunnen werken, of konden navigeren. Daar kwam later het bedienen van een radiotoestel bij, het interpreteren van een radarbeeld en het behandelen van slachtoffers. Vaak waren het vakbekwaamheden die de vrijwilligers zelf meebrachten. Aan opleiding werd nauwelijks aandacht besteed.

De eerste opleidingen ontstonden na 1960. Voornamelijk voor het verlenen van eerste hulp. Pas bij de introductie van snelle (rubber)reddingboten bleek hoezeer opleiding noodzakelijk werd. De eerste jaren na de indienststelling van een snelle reddingboot gebeurde het geregeld dat een boot omsloeg of schade voer. Sinds 1985 worden daarom alle vrijwilligers opgeleid in het varen met een snelle reddingboot. Dat gebeurt in de praktijk tijdens oefenavonden op de reddingstations en ter afsluiting met een training in Schotland, waar de vrijwilliger ook beoordeeld wordt op zijn kwaliteiten binnen een team.

Opleiden en oefenen behoort nu tot de belangrijkste veiligheidsaspecten van het reddingwerk. Zonder opleiding is redden levensgevaarlijk.

DEEL DIT BERICHT