Henk Huizinga Foto: Ruben Meijerink

Corry van der Haven-Eikelenboom

Stoppen en redders gaan immers niet samen…

Op het moment dat Henk Huizinga (55) op Schiermonnikoog zijn verhaal doet, vertrekken de reddingboten van Scheveningen en Hoek van Holland naar de locatie waar een dag eerder bij een aanvaring elf zeelui de dood vonden.
 
“Die jongens gaan nu doen wat wij op 25 november 2012 ook deden: uitvaren terwijl er niets meer te redden valt”. Ten tijde van het gesprek waait het stevig, maar het is níets in vergelijking met de omstandigheden waaronder Henk en zijn maten naar zee moesten. “Het was boos weer die zondag”, zegt Huizinga, in gedachten nog zichtbaar onder de indruk.
 
“Ik was bij mijn schoonouders toen de pieper ging. Mijn schoonvader heeft zelf lang op de reddingboot gevaren, maar gesproken werd er niet. ‘Het wordt een lange!’, was het enige dat ik nog riep, voordat ik rennend het huis verliet”. Feitelijk had Huizinga op dat moment veel te weinig informatie om een goede voorspelling te kunnen doen over de reis. “Toen wij met de bemanning vanuit het dorp naar de steiger reden, wisten we alleen dat het bar weer was (uitschieters 10 Bft) , dat de duisternis aan het intreden was en dat het een zoekactie zou worden”.
 
Terwijl in het stuurhuis de laatste losse inventaris stormvast werden gezet, begon aan boord van de reddingboot Koning Willem I de informatie binnen te stromen. Er waren twee bemanningsleden van een vrachtschip overboord geslagen. Geen overlevingspakken, alleen reddingvesten. Huizinga staart in de lege ruimte. “Vanaf dat moment wisten we dat de kans op redding verkeken was. Het binnenbrengen van stoffelijke overschotten werd voor ons  het hoogst haalbare”.
 
Toch werd de reis (van een slordige 100 kilometer!) door niemand ter discussie gesteld. “Je probeert wat je kan voor de nabestaanden. En dus moet je bij een discussie wegblijven. Gewoon gaan!” Dat ‘gewoon’ betekende dit keer echter wel dat dat de reddingboot in duisternis het zeegat uit moest, terwijl er tien meter hoge zeeën liepen. “Gert Jan, onze schipper, zat aan het roer. Hij heeft geen moment zicht naar voren gehad. De reddingboot werd constant bedolven onder muren van water. De opstappers aan weerszijden van de schipper moesten hem bijpraten en waarschuwen voor aankomende brekers. Dat werkte goed, maar toch hebben we een paar beste dreunen gehad”.
 
De zeven eilanders hadden het slechtste deel van de reis gehad toen de Koning Willem I vlakbij de grote scheepvaartroute aan voortstuwing verloor. “De kracht was eraf. Hierop is Gert Jan door een luik naar beneden gegaan. Terwijl hij benedendeks was, vloog in één klap alle elektriciteit eruit. Communicatie, navigatie, verlichting, alles was weg!” Huizinga weerspreekt met klem dat er op dat moment paniek uitbrak onder de bemanningsleden, zoals dat in het NRC werd gemeld. “Was geen sprake van. Wij hebben ons geen moment onveilig gevoeld; wel ongemakkelijk…”
 
Schipper Klontje besloot, na het probleem gedeeltelijk te hebben opgelost, om terug te keren naar Schiermonnikoog. De reddingboot Arie Visser van Terschelling, die naar dezelfde positie onderweg was, kreeg van de Kustwacht dezelfde opdracht. “Ook los van onze technische mankementen achtte de Kustwacht het onverantwoord dat wij nóg meer risico’s zouden nemen, terwijl er ver op zee geen levens meer te redden waren”.  Voor de zee uit keerde de Koning Willem I terug naar de steiger, alwaar de bemanning rond 19.30 uur door de volledige  plaatselijke commissie werd opgewacht. “Onze secretaris en oud-machinist Theo Kooy is restauranthouder. Hij had voor ons een grote pan snert meegenomen. En terwijl wij de actie nabespraken, dook Kooy onderdeks op zoek naar het euvel van de storing”.
 
Terugkijkend op de ‘memorabel zware reis’ kan Huizinga zichzelf en zijn mede-bemanningsleden niets verwijten. “We hebben ons best gedaan. En toch frustreert het dat we hebben moeten stoppen. Stoppen en redders gaan immers niet samen…”  

Help mee

Wat kan ik geven?