Achteraf vanaf de andere kant

Jan Kooistra was één van de opstappers die op 3 februari aan boord kwamen bij Richard Blok. “De man had even daarvoor twintig benauwde minuten gehad. Voor ons was het dus een dankbare inzet”.
 
“De zeiler was ervaren. Dat merkte je aan alles”, zo stelt Kooistra. “Hij is niet in paniek geraakt toen zijn voorstag het begaf en vervolgens heeft hij ook een stranding weten af te wenden. Hij heeft goed gereageerd”. Toch manoeuvreerde Blok zich volgens de opstapper alsnog in een penibele situatie. “De man koos ervoor om de vaargeul aan te houden en tegen de wind in richting Harlingen te koersen. Zonder voorstag tegen de wind in varen betekent dat je mast achterover kan vallen. En juist op het achterschip stond de man te sturen. Ik betwijfel of hij zich bewust is geweest van deze gevaarlijke situatie”. Kooistra zegt er overigens meteen bij dat hij de keuze van de man begrijpt. “Tuurlijk wel. Hij moest en hij zou weg bij de lagerwal. Dat snap ik. Maar ook dit was risicovol”.
 
Niet voor niets begonnen de opstappers Kooistra en Van Veen bij het aan boord komen direct met het zetten van een noodstag. “De situatie moest zo snel mogelijk onder controle worden gebracht. Dus gingen Casper en ik aan het werk, terwijl Gerard Pont, één van onze plaatsvervangend schippers, in gesprek ging met de zeiler”.  Het werken aan dek werd bemoeilijkt door een rond slingerende rvs-trommel, zijnde het uiteinde van het rond slingerende voorzeil. “We zijn halve wind gaan varen, zodat de trommel buiten het schip bleef rondvliegen. Maar constant hielden we het oog erop, want als de wind een moment zou wegvallen, zou de trommel direct recht op ons af komen. Vanaf de reddingboot Veronica is nog geprobeerd om de trommel met een pikhaak binnenboord te halen, maar dat lukte niet”.
 
 
Uiteindelijk bereikte het zeilschip op eigen kracht de haven van Harlingen, de hele reis begeleid door de Harlinger reddingboten. “In de luwte van het boothuis konden we het voorzeil binnenhalen en alles vastzetten. Pas toen merkte ik ook dat ik stervenskoude handen had. Vanwege het overlevingspak had ik de kou verder niet zo in de gaten, maar omdat ik met touw in de weer moest, had ik mijn handschoenen uitgedaan. De handen werden nat door overkomend water, de harde wind eroverheen en dat bij temperaturen rond het vriespunt. Ik heb een handdoek gevraagd en na gedane arbeid snel een ‘sjeggie’ gedraaid”.
 
Terugkijkend komt Kooistra tot een duidelijke slotsom. “Ik denk dat deze man zijn sport zó serieus neemt dat hij veel dingen zelf wil oplossen. Dit is niet het slag dat bij het eerste de beste ongemak om hulp roept. Toch heeft de man deze situatie goed ingeschat door direct alarm te slaan. Als hij alleen aan de slag was gegaan, was deze reis misschien heel anders afgelopen…”

Help mee

Wat kan ik geven?