HOME

Het is zwaar, maar dankbaar werk

Gert Jan Klontje - schipper van de Koning Willem I op Schiermonnikoog

Gert Jan Klontje - schipper van de Koning Willem I op Schiermonnikoog
Schipper Gert-Jan Klontje van Schiermonnikoog: “Wij brengen jaarlijks tientallen eilanders naar de vaste wal. Gewond of ernstig ziek. Voor sommigen van hen weet je dat het de laatste reis is. Dat is zwaar, maar dankbaar werk.”
 
Reddingboten worden geassocieerd met schepen in nood. Terecht. Maar op de eilanden zijn de redders veel meer dan dat.
 
Op een eiland als Schiermonnikoog krijgt dit soort werk nog eens een extra dimensie, omdat iedereen iedereen kent. Zo bracht Klontje zijn eigen schoonvader drie keer naar de wal, telkens met hartritmestoornissen. “Na de derde keer grapte ik dat het zo wel een beetje duur begon te worden.” Weer serieus: “Uiteindelijk kreeg ik ook mijn schoonmoeder aan boord. Zij was ernstig ziek, werd bij ons thuis verzorgd, maar wilde naar huis om te sterven. Op de steiger veerde ze op, snoof de zeelucht op en zei dat ze het mooi vond zo. Ik heb toen nog een extra rondje gevaren. Ze genoot van het wad, de vogels en de mooie luchten.”
 
Het voorval met zijn schoonouders lijkt uitzonderlijk, maar niets is minder waar. Met regelmaat krijgen Klontje en zijn bemanning dierbaren te vervoeren. “Ik ben hier opgegroeid. Als jonge jongen werkte ik op verschillende boerderijen. Een van deze boeren moesten we overvaren naar de vaste wal, gelukkig toen hij op hoge leeftijd was. Op de steiger wachtte ik hem op. Hij zei: ‘Gert-Jan, mijn aardse reis zit erop. En het laatste stukje doe ik graag met jou …’ In Lauwersoog heb ik hem de hand geschud, zoals ik zoveel eilanders als laatste heb gegroet. Dat is eervol werk.” 
 
Gert-Jan vaart dergelijke reizen naar de vaste wal altijd zelf. “Er mag tijdens zulke tochten niets misgaan en die verantwoordelijkheid neem ik zelf. Maar ik vraag wel altijd twee man bij me om op radar en plotter mee te kijken. Simpelweg omdat het onder die omstandigheden moeilijker is om professioneel te blijven handelen.”
 
En zo komt hij als vanzelf bij het volgende voorval. “Een paar maanden geleden moest ik een goede kameraad wegbrengen. Ook ernstig ziek. ’s Avonds had ik nog aan zijn bed gezeten, twee uur later lag hij bij ons aan boord. Ik kreeg alleen een knikje en wist toen dat het ‘over’ was. Zijn zoon en schoonzoon zijn beiden bemanningslid bij mij en waren beiden aan boord. Op de intercom blijft het dan stil …” Het dreigt een triest verhaal te worden. “Het is ook niet altijd gemakkelijk. Wel dankbaar.
 
En natuurlijk zijn er ook andere verhalen. We brengen zwangere vrouwen over. Als je dan later die kleintjes ziet, is dat genieten. En ook zware ongevallen kunnen goed aflopen. Dat geeft voldoening.” Klontje vertelt daarbij onder meer over een zwaar bedrijfsongeval. Onderweg naar het boothuis zag hij bij het bedrijf van een goede vriend en voormalig werkgever een ambulance staan. “Dan schrik je geweldig, maar er was geen tijd om na te denken. De boot moest klaar!” De toestand van zijn oude werkgever leek bijzonder ernstig. “Hij had inwendige verwondingen en had zó veel pijn dat ik werkelijk dacht dat hij het niet zou halen.” De man herstelde echter wonderwel.
 
“Dit werk wordt door de buitenwereld onderschat”, stelt Klontje, die tegelijkertijd tegenspreekt dat de meest aangrijpende reizen uit zijn loopbaan allemaal patiëntenvervoeren waren. “Dat weet ik niet, hoor. Dan schieten we misschien weer een beetje door. Ook op zee hebben we heel aangrijpende dingen meegemaakt. Ik herinner mij een vrachtschip dat na een aanvaring zinkende was. We kregen de bemanning aan boord, maar één man kon niet uit zijn hut worden bevrijd omdat de deur door de aanvaring was ontzet. Hij ging met het schip ten onder. Zijn maten hoorden die man nog schreeuwen …”
 
Hoe verwerkt Klontje, die zichtbaar emotioneel is onder sommige verhalen, een dergelijke hoeveelheid leed? “We hebben elkaar. Op de terugreis geef ik het roer altijd aan een ander en praat ik met de jongens. In het boothuis hebben we het erover. De één praat honderduit, de ander zegt niks. Dat mag. Maar we houden elkaar wel goed in de gaten.” 
DEEL DIT BERICHT