HOME

Bij menigeen zag je de tranen over de wangen rollen

Vrijwilliger Jan Balk

Vrijwilliger Jan Balk
Schipper Jan Balk is sinds de oprichting van het reddingstation Elburg actief bij de KNRM. Op 24 juni 2012 traden hij en zijn ‘maten van het eerste uur’ levensreddend op nadat op het Veluwemeer vijf zeilscheepjes in de problemen waren gekomen.
 
“Wat een geluk dat we ten tijde van de melding al op het water zaten. Want het Veluwemeer mag in de ogen van veel collega’s misschien een sloot zijn, dit was onvervalst reddingwerk!”
Jan Balk was dienstdoend schipper toen de reddingboot Evert Floor werd opgeroepen voor een schouw met motorproblemen. Er stond een krachtige zuidwestenwind, toen naast Balk ook Edwin Meppelink, Arjen de Gunst, Herrald Hulst, Jan Busch en Jan Westerink op het alarm afkwamen. “Allemaal kerels van het eerste uur, met tien jaar ervaring in de rugzak. Achteraf ben ik daar heel blij mee, want voor dat schouwtje was dat niet echt nodig, maar wij wisten toen nog niet dat die sleepklus een dramatische wending zou krijgen.”

Een dramatische wending

De schouw werd gevonden en op sleep genomen. Totdat de Kustwacht zich meldde. “Er waren kleine zeilboten in nood en er zouden mensen in het water liggen. We hebben direct aan Herrald, die bij de schouw aan boord zat, laten weten dat we de sleep zouden losgooien. Er waren immers levens in gevaar.” Herrald werd achtergelaten en de Evert Floor zette volle kracht koers naar de opgegeven positie. “We wisten niets. De boten hadden geen communicatie, dus we moesten het doen met die ene melding.”
 
Die melding bleek te kloppen. Een harde windvlaag had twee van de Valken doen omslaan en er lagen twee mensen in het water. “Er hadden meer mensen in het water gelegen, maar die waren erin geslaagd bij de andere scheepjes aan boord te klimmen. Voor ons was de eerste prioriteit de twee drenkelingen uit het water te halen. Dit lukte in een mum van tijd, waarna wij onze aandacht verlegden naar de overige zeilers.”
 
Het gezelschap bleek te bestaan uit volwassenen én kinderen. Een deel van de groep was nat en koud. “Omdat we niet iedereen in een keer mee konden nemen, riep ik dat eerst de natte kinderen en daarna de doorweekte volwassenen van boord moesten worden gehaald. Met tien geredden zetten we koers naar de vaste wal. Ik zat zelf op het voordek naast een jongetje. Hij zei weinig meer, had blauw omrande lippen en zijn ogen vielen steeds dicht. Dan weet je als redder genoeg. Ik maakte me ernstige zorgen om het jongetje, maar moest ook oog hebben voor de rest van de groep. Jan Busch en ik probeerden van alle geredden steeds bevestiging te krijgen dat het nog ging. Iedereen zei ja, maar tegelijkertijd zag je bij menigeen de tranen over de wangen rollen. Ze hadden het niet gemakkelijk.”
 
Vanwege dreigende onderkoeling werden op de wal ambulances besteld. “We hebben de mensen aan land gezet en een heel snelle overdracht gedaan voor het ambulancepersoneel. Tijd voor afscheid of sterkte wensen was er niet, we moesten zo snel mogelijk terug naar de andere zeilboten.” Jan Westerink was op een van die bootjes achtergebleven. “Ja, dat gebeurt niet elke dag. Zowel Herrald als Jan achterlaten. Maar ook daar komt die ervaring weer van pas. Deze kerels kun je om een boodschap sturen.” De reddingboot haalde een tweede groep geredden van boord en liet het slepen van de scheepjes over aan de reddingbrigade en de brandweer.
 
Met gepaste trots vertelt Jan zijn verhaal. “Een geslaagde redding is altijd mooi. Maar hier kwam álles bij elkaar. De tien jaren ervaring betaalden zich uit, de grotere gereddencapaciteit van onze nieuwe reddingboot kwam goed van pas en een week voor de actie hadden we een grote oefening gedraaid met een scenario dat leek op deze actie. Zo zie je maar: je oefent wekelijks en dan ineens bewijst dat zijn waarde!”
DEEL DIT BERICHT