HOME

De redding was een bliksemactie. Wat zijn die kerels snel…

Bram Boone

Bram Boone
Terwijl Bram Boone uit Oost-Souburg vocht voor zijn leven, probeerde hij al zwemmend een glimp van zijn zoon op te vangen. Hun bootje zonk in een oogwenk; de twee dreven snel bij elkaar vandaan.
 
“De redding was een bliksemactie. Die mannen waren er snel en voor ik het wist, lag ik in een ambulance. Denk dat we twee zinnen hebben gewisseld. Ongelooflijk…”
 
Bram en zijn zoon Rob waren voor het eerst op stap met hun nieuwe boot. Maar wat zo mooi had moeten worden, liep uit op een nachtmerrie. Tijdens hun eerste tocht verdween het scheepje naar de bodem van de Oosterschelde. “Die spullen maken me niet uit. We leven nog”, zo kijkt de Zeeuw terug.
“De voortekenen waren al niet goed. Bij de tewaterlating wilde de motor niet starten. We bleven het proberen en uiteindelijk kregen we hem aan de praat.
 
Aangekomen op onze visstek, hoorde Rob ineens een vreemd geluid. Ik niet”, zegt Bram. “Ik ben half doof. Ik had pas in de gaten dat er iets mis was toen we vanuit het niets tot onze enkels in het water stonden”. Daarna ging het razendsnel. “Toen bleek dat de motor weer niet startte, begon mijn zoon te hozen, terwijl ik 112 belde. Op het moment dat ik werd doorverbonden naar de Kustwacht, stonden we al tot ons middel in het water. En juist toen de Kustwacht zich meldde, zakte ons bootje onder ons weg. Ik heb niets meer kunnen zeggen…”
 
Het bleef voor de twee dus onzeker of er hulp onderweg was. En passerende scheepvaart was er niet of nauwelijks. Wat overbleef, was zwemmend de kant te bereiken, ongeveer 250 meter verder. “Maar zwemmen ging eigenlijk niet. Omdat mijn vest niet vastzat, wilde het over mijn hoofd uitglippen. Ik had mijn beide armen nodig om het vest vast te houden. Trappelend met mijn benen kwam ik amper vooruit”.
 
Zoon Rob ontwaarde enkele minuten later de reddingboot van Neeltje Jans. “Ik niet. Ik was aan het overleven”. Op de vraag of Bram dan uitsluitend met zichzelf bezig was, of dat hij toch ook zijn zoon in de gaten hield, valt een lange stilte. De Zeeuw loopt weg naar de keuken en komt terug met een glas drinken. Uiteindelijk: “Ik ben vader, he. Mijn zoon is sterk en kan uitstekend voor zichzelf zorgen, maar toch heb ik regelmatig gekeken…
 
Toen de reddingboot bij mij kwam, werd ik net door een vissersbootje uit het water gehaald. Een redder onderzocht mij. Ik vroeg naar mijn zoon en de redder antwoordde dat de reddingboot bezig was hem uit het water te halen. In het ziekenhuis konden we elkaar in de armen sluiten”. Over de redders is Bram uitermate lovend. “Al hebben we elkaar amper gesproken. Wat zijn die kerels snel…”
 
DEEL DIT BERICHT