Historie van KNRM reddingstation Texel De Koog

Het reddingstation Texel’ bestaat niet, zeker niet wanneer de historie van het reddingwezen op het eiland onder de loep wordt genomen. De reddingboten verhuisden regelmatig: Den Hoorn, De Krim, Eierland, Oudeschild, De Koog en De Cocksdorp, allemaal staan ze in de historie van de KNRM als (voormalig) reddingstation op Texel opgetekend. En ook allemaal verrichtten ze hun reddingen, want het vaargebied rond Texel is zodanig dat vroeger en nu reddingboothulp onmisbaar is gebleken.

Enkele maanden na de oprichting van de Redding Maatschappij kreeg Texel de beschikking over een roeireddingboot. Den Hoorn werd als locatie gekozen, maar al snel werd duidelijk dat deze keuze niet gelukkig was. Doordat er in die hoek van het eiland weinig mensen woonden, moest de reddingboot regelmatig door niet-capabele boeren worden bemand. En een zonodig nog groter probleem was dat de Eierlandse Gronden -de plaats waar de meeste schepen strandden- vanaf Den Hoorn amper te bereiken was.

De eerste redding werd verricht in 1833. Van het in de Eierlandse Gronden gestrande schip Hebe werden tijdens een moeilijke tocht acht opvarenden gered. Daarna werd het weer rustig. Zo rustig zelfs dat de Redding Maatschappij besloot een tweede boot te stationeren op De Krim. Dit gebeurde in 1846.

Dat bleek een goede maatregel, want vanaf die tijd volgden de reddingen elkaar in snel tempo op, zeker toen vier jaar later het station Den Hoorn werd opgeheven en de reddingboot werd verplaatst naar De Koog. Een memorabele redding verrichtten de Texelse redders in 1869. Op 28 februari van dat jaar strandde de Noorse bark Immanuel’, iets ten zuiden van De Koog. De reddingboot van de Koog koos zee naar het ontredderde wrak, waarvan de masten inmiddels overboord waren geslagen. De roeireddingboot, met schipper T. Mets aan het roer, wist alle twaalf opvarenden te redden. De Heldersche Courant berichtte hierover: “Dergelijke toonelen, vooral dat op het strand aanbrengen der schipbreukelingen, zijn niet te beschrijven. O, ik wenschte zoozeer dat zij door geheel Nederland konden worden aanschouwd”.

Enkele jaren later, in 1876, sloeg voor het reddingstation het noodlot toe. Tijdens een oefening werd de reddingboot van de Koog door een verraderlijke zee getroffen, waarbij bootsman De Waard overboord sloeg en verdronk. In 1880 sloeg dezelfde boot (nr. 50 - de roeireddingboten werden toentertijd genummerd) opnieuw om. Ditmaal tijdens de reddingspoging voor de Franse brik Vigie. De reddingboot haalde in een zware branding drie man van de brik, maar kenterde op de terugweg. Roeier Veen raakte bekneld onder de omgeslagen boot en verdronk. De overigen haalden het strand.

Het vertrouwen in de reddingboot was weg, en dus stationeerde de Redding Maatschappij een nieuwe boot op de Koog, waarmee regelmatig succesvol werd uitgevaren. De stations De Koog (1881) en De Krim (1882) kregen tevens de beschikking over nieuwe, stenen boothuizen. En nog was het niet op, want de bestuurders vonden twee stations op Texel nog te weinig. Het reddingstation Den Hoorn werd daarom in 1884 in ere hersteld. De reddingvlet van Den Hoorn kreeg nagenoeg niets te doen, maar moest in 1896 wel uitrukken toen de Britse driemast-schoener Mary B. Mitchell tussen de palen 12 en 13 strandde. Met gevaar voor eigen leven wisten de Texelaars de zeven schipbreukelingen te redden.

In 1912 werd in verband met de vele strandingen op de Vliehors een reddingboot op De Cocksdorp gestationeerd. Deze boot voorzag al snel in een grote behoefte en verrichtte van tijd tot tijd bijzonder spectaculaire reddingen. Het bedwingen van de Eierlandse Gronden was, zeker met een roeireddingboot een ontzagwekkende prestatie. Kansloos waren de roeiredders echter allerminst. In de Eerste Wereldoorlog werden zowel de redders van De Koog alsook die van De Cocksdorp onderscheiden. De eersten voor de redding van de bemanning van het vissersschip IJM 264 en de Cocksdorpers zelfs twee maal: voor de redding van elf Noren van het s.s. Isbjörn (1914) en de zeven opvarenden van de Engelse Tengoy (1917), die helemaal door de grondzeeën was bedolven. En in 1921 maakten de eilanders een onuitwisbare indruk door de redding van de opvarenden van de Liesbeth. De Duitse schoener was benoorden de vuurtoren van Eierland gestrand. De motorreddingboot Brandaris van Terschelling schoot te hulp, maar is die nacht met man en muis vergaan. De Cocksdorpers hebben toen met een roeireddingboot de zes opvarenden gered. De kapitein van de Liesbeth schreef daarover: “De reddingbootbemanning heeft buitengewoon gewerkt. Langzaam, zeer langzaam, met groote moeite, kwamen de flinke kerels vooruit. Soms verdween de boot geheel in de zware buien. Over de laatste 50 meter heeft de bemanning een uur moeten worstelen. Met bewonderenswaardige doorzettingskracht kwamen de helden naderbij; wij vreesden echter, dat zij niet langszij zouden kunnen komen. Tenslotte lukte het, zij ’t met zeer groote moeite, zoo dichtbij te komen, dat wij er in konden springen…”

Nog tijdens de oorlog vroegen de eilanders voor het eerst om een motorreddingboot, een verzoek dat in 1922 werd ingewilligd. Station De Cocksdorp werd in dat jaar uitgerust met een motorstrandreddingboot, De Eierland. Dit tot grote tevredenheid van de redders, die vanaf dat moment op hun soms lange tochten werden bijgestaan door een 11 pk motor. De Eierland werd opgevolgd door de Joan Hodshon, die in de Tweede Wereldoorlog naar Engeland werd overgevaren. De boot kwam pas in 1949 terug op het eiland. Inmiddels waren de reddingstations De Krim (1945) en Oudeschild (1946) opgeheven, en had De Koog alleen nog een lijnwerp- en wippertoestel. En het duurde tot 1982 voor De Koog weer de beschikking kreeg over een reddingboot. Het werd een snelle, vijf meter lange rubberboot met vaste bodem. Deze rubberboot haalde grote bekendheid toen het in 1986 de bemanning van de Hondurese coaster Compass I aan land bracht.

De Cocksdorp verruilde in 1986 de motorstrandreddingboot Ida Mary voor een waddenvlet, de Siegfried Egmundis. En de waddenvlet maakte in 1992 plaats voor de Beursplein 5, een snelle (34 knopen) rigid inflatable reddingboot, die onder zware weersomstandigheden inzetbaar is. De Beursplein 5 vaart elk jaar 10 tot 20 keer uit, zowel voor de plezier- als voor de beroepsvaart. Het reddingstation De Koog (ongeveer evenveel diensten) beschikt tegenwoordig over de Zalm, een snelle (25 knopen) rubberreddingboot, die met name voor hulpverlening aan de pleziervaart wordt ingezet. De Zalm wordt zo'n 10 keer per jaar ingezet. De truck van De Koog, die voorzien is van communicatieapparatuur en enkele sterke zoeklichten, kan worden ingezet bij zoekacties op en langs het strand. De truck is ook inzetbaar als terrein-ambulance.

In september 2005 is de Francine Kroesen toegevoegd aan de vloot van Texel. De reddingboot ligt in de haven van Oudeschild. In het voorjaar van 2007 is er een drijvend boothuis geplaatst. De Francine Kroesen vaart, vooral in het drukke vaarseizoen, ongeveer 30 keer per jaar uit.

Op 14 april 2012 is het boothuis van De Koog feestelijk heropend na een grondige verbouwing en uitbreiding. Het heeft sinds die dag de naam 't Reddershuus gekregen. Het Dorus Rijkersfonds heeft een aanzienlijk deel bijgedragen in de kosten net als vele andere, veelal plaatselijke, geldschieters en donateurs in natura. Tevens werd tijdens de opening de bemanning in het nieuw gestoken door de nieuwe kledingsponsor Gaastra. Hiermee is het station de eerste van allemaal die de nieuwe kleding draagt.

Op 20 september is op KNRM station Texel een nieuwe reddingboot Cornelis Dito gedoopt en het daarbij behorende drijvende boothuis geopend.

De nieuwe reddingboot is gefinancierd uit de nalatenschap van de heer J.J. Hillen. De heer Hillen voer, net als zijn broer en vader, bij de koopvaardij en in zijn vrije tijd was hij tot op zeer hoge leeftijd actief als zeezeiler. Bij leven besloot hij, samen met zijn echtgenote, de erfenis aan de KNRM na te laten. Daarbij uitte het echtpaar de wens dat hiervan een reddingboot werd gebouwd en vernoemd naar een van de voorvaderen van de heer Hillen: Cornelis Dito.

Het drijvende boothuis is gebouwd uit de nalatenschap van mevrouw J. Dinkelman-Eibink. Zij is, net als haar echtgenoot, werkzaam geweest bij de KNSM. Dat in combinatie met het donateurschap van de KNRM heeft haar doen besluiten een deel van haar nalatenschap aan de KNRM te schenken.

De naam van het boothuis, Aqua Julia, is een samenvoeging geworden van de voornaam van mevrouw Dinkelman, Julia, en het onlosmakelijk aan haar verbonden water. Het ontwerp van het drijvend boothuis is van de hand van de inmiddels overleden KNRM huisarchitect Jan Timmerman. De Boer en De Groot civiele werken uit Harlingen bouwden het drijvende object.

Beide stations worden door vrijwilligers bemand.