Historie van KNRM reddingstation Noordwijk aan Zee

In een tijd waarin reddingboten hoofdzakelijk uitvaren voor pleziervaartuigen is het moeilijk voor te stellen dat de meeste reddingstations kunnen bogen op een roemruchte historie van roeiredders, zware stormen en gestrande zeeschepen. En toch is dat in elk geval voor de Noordzeestations realiteit. De geschiedenis van het reddingstation Noordwijk aan Zee is een imposante, en gaat terug tot het jaar 1825, enkele maanden na de oprichting van de Redding Maatschappij.

De vijf Amsterdamse notabelen die in november 1824 de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij (NZHRM) oprichtten, stelden zich ten doel “om door het daarstellen van geschikte middelen, op de na te melden stranden, de kustbewoners in staat te stellen pogingen tot redding van schipbreukelingen aan te wenden”. De ‘na te melden stranden’ bleken tussen Ter Heyde en Ameland te liggen. Het gebied ten zuiden daarvan werd het werkgebied van de later opgerichte Zuid Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen en het IJsselmeer viel helemaal buiten hun gezichtsveld. Maar ook langs de Zuid- en Noordhollandse kust duurde het lang voordat alle plaatsen over een reddingboot beschikten. De eerste roeireddingboot van IJmuiden werd bijvoorbeeld pas in 1876 in dienst gesteld. Noordwijk aan Zee daarentegen behoort tot de oudste reddingstations, die in de maanden na de oprichting van de maatschappij van reddingmaterieel werden voorzien.

Het reddingstation verrichtte de eerste redding pas in 1831. De roeireddingboot haalde vijf opvarenden van het gestrande zeilschip Dorothea. In 1833 volgde de tweede geslaagde redding. Van frequente hulpverlening was toentertijd dus nog geen sprake. Wel moet gezegd dat bijna elke actie raak was: in verreweg de meeste gevallen moest de roeireddingboot met stormachtig weer door de branding naar gestrande schepen. Zoals op 14 september 1870, toen de brik Pyleon in een noordwesterstorm strandde. De gehele bemanning werd door de Noordwijkse roeireddingboot van boord gehaald en veilig aan wal gebracht. Twee maanden later sloeg de schoener Gyda uiteen op de derde bank, recht voor Noordwijk. De roeireddingboot was tijdig ter plaatse en wist de zeelieden van een wisse verdrinkingsdood te redden. Andere aansprekende reddingacties volgden in 1873 (8 geredden van bomschip Gezusters), 1890 (15 geredden van loggerschip Vertrouwen) en 1893 (4 geredden van schoonerschip Transet). Die laatste redding werd overschaduwd door het overboord slaan en verdrinken van één van de schipbreukelingen.

Op 31 januari 1905 strandde het stoomschip Alba op de kust, even bezuiden Zandvoort. De roeireddingboten van Noordwijk en Zandvoort werden beide gelanceerd. De Noordwijkse redders haalden 12 schipbreukelingen van boord; de Zandvoordse roeireddingboot bracht 13 man aan land. Beide bemanningen ontvingen voor deze redding een getuigschrift van de Redding Maatschappij.

Een nog veel hogere onderscheiding volgde in 1919. Op 24 november van dat jaar strandde de KW 47, twee kilometer benoorden Noordwijk. Het schip sloeg direct vol water, waardoor de bemanning genoodzaakt was in het want te klimmen. Daar wachtten de schipbreukelingen op de Noordwijkse roeireddingboot, die naar de plek des onheils werd gedirigeerd. De reddingboot bereikte de logger, maar sloeg om, waarbij drie roeiredders verdronken. De overigen bereikten uitgeput het strand. Onder aanvoering van commisielid Jan van Kan werd een tweede poging ondernomen, waarbij Van Kan zelf de functie van schipper bekleedde. De poging slaagde: acht vissers werden gered. Vier visserlieden waren toen al overboord gesprongen. Drie van hen bereikten het strand, de vierde verdronk. Schipper Jan van Kan ontving voor deze uitzonderlijke redding de grote gouden draagmedaille van de Redding Maatschappij, de hoogste onderscheiding van de toenmalige N.Z.H.R.M..
Een maand na deze unieke actie strandde er opnieuw een schip op het strand van Noordwijk. De roeireddingboot haalde 13 geredden van het stoomschip Mirfak. De wipperploeg van Noordwijk bracht de overige schipbreukelingen aan land.

In de jaren die volgden werd het rustiger voor de meeste Noordzeestations, waaronder het station Noordwijk aan Zee. Enerzijds omdat het aantal strandingen als gevolg van verbeteringen in de scheepvaart steeds verder afnam en anderzijds omdat enkele stations langs de Noordzee werden uitgerust met gemotoriseerde havenreddingboten. IJmuiden was zo’n station en werd derhalve een grote ‘concurrent’ voor de Noordwijkse roeiredders.
Toen de roeireddingboten van Zandvoort, Katwijk en Noordwijk werden vervangen door gemotoriseerde strandreddingboten, werd de balans langs de kust weer deels hersteld. De motorstrandreddingboten hadden, net als de roeireddingboten, hun beperkingen, maar de Perkins-dieselmotoren waren onder zware omstandigheden toch tot meer in staat dan de gezamenlijke krachten van de roeiredders. Op 7 mei 1965 bewees de motorstandreddingboot Kurt Carlsen haar kwaliteiten door één persoon en een scheepshond van het in moeilijkheden verkerende motorschip Arvo te halen. De motorreddingboot Johanna Louisa uit IJmuiden haalde drie geredden van de Arvo. Op 10 november 1970 kwam deze IJmuider havenreddingboot echter te laat. De Kurt Karlsen werd in slecht weer (NNW 7) gelanceerd voor het radiozendschip King David. De motorstandreddingboot kon langszij komen en zette de voltallige bemanning veilig op het strand. Enkele minuten later arriveerde de Johanna Louisa, die onverrichter zake moest terugkeren naar IJmuiden.

De gezonde concurrentie vanuit IJmuiden nam nog verder af toen Noordwijk aan Zee in 1990 als eerste de beschikking kreeg over een snelle strandreddingboot van het type Valentijn. De Valentijn had een maximum snelheid van 32 knopen, terwijl de Johanna Louisa van het ‘grote’ havenstation IJmuiden slechts 10 knopen liep. De Valentijn kon dankzij haar hoge topsnelheid een groot gebied bestrijken en werd derhalve veelvuldig gealarmeerd, zowel voor de beroeps- als voor de pleziervaart. Sindsdien komt het reddingstation Noordwijk aan Zee ongeveer twintig tot dertig keer per jaar in actie. Strandingen mogen dan nog slechts hoogst zelden voorkomen, deze cijfers bewijzen wel dat het reddingstation Noordwijk aan Zee in een blijvende behoefte voorziet.
Het reddingstation Noordwijk aan Zee wordt voor 100% bemand met vrijwilligers. Het reddingstation krijgt ondersteuning van de vuurtoren, die bij acties wordt bemand door de vrijwilligers van de KNRM en dan als verlengstuk van de Kustwacht fungeert.

Tijdbalk 1825
Noordwijk aan Zee wordt een officieel reddingstation.

1864
Een nieuw model roeireddingboot wordt gestationeerd. Het station krijgt de beschikking over een vuurpijltoestel voor het overschieten van een lijn naar een gestrand vaartuig.

1899
Er wordt een nieuw stenen boothuis neergezet in de Schoolstraat.

1919
Een moeilijke redding loopt dramatisch af. Drie redders komen om het leven.

1953
Een nieuw stenen boothuis wordt net buiten het dorp gebouwd voor de in aanbouw zijnde motor-strandreddingboot 'Kurt Carlsen'.

1961
Voor het vervoer van het lijnwerp- en wippertoestel wordt een Chevrolet truck in het boothuis geplaatst.

1990
De Kurt Carlsen wordt vervangen door de Valentijn, het prototype voor de nieuwe strandreddingboten.

2007
De Valentijn wordt vervangen door de Paul Johannes. De Valentijn wordt toegevoegd aan de reservevloot.