Historie van KNRM reddingstation Cadzand

Nadat het Bestuur zich ervan had vergewist dat, dank zij bij de sluis aan de Wielingen ondernomen werken aldaar, manschappen te vinden waren, waaruit na behoorlijke oefening de bemanning voor eene reddingboot ware samen te stellen, is ter plaatse eene strandboot met zeiltuig gestationeerd (citaat verslag Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen over 1908, betreffende de indienststelling van de eerste reddingboot voor het reddingstation Cadzand). Tot 1908 beschikte Cadzand alleen over een vuurpijltoestel, waarmee het niet in actie behoefde te komen. De reddingboot maakte van Cadzand een 'echt’ reddingstation.

In de jaren 1891 – 1908 besteedde de ZHMRS in haar jaarverslag steevast één zin aan Cadzand: 'Cadzand, vuurpijltoestel, onder beheer van den heer Mr. P.C.J. Hennequin, Burgemeester der gemeente Aardenburg’. Het was een beschrijving van het reddingstation; van actie was geen sprake. Dat veranderde zogezegd met de in dienst stelling van een reddingvlet in 1908. Met deze materiële uitbreiding verhuisde het station naar de Sluis aan de Wielingen, waar voor fl. 1495,- een loods werd gebouwd.

In 1909 was het meteen raak voor de redders van Cadzand. Op 9 juli sloeg het Belgische klipperschip Niamor alarm toen bleek dat het wegens een defect roer niet buiten de branding kon blijven en door een hoge zee op het strand geworpen dreigde te worden. De reddingvlet bracht de klipper behouden binnen. En een kleine drie weken later hielp de reddingvlet de CZ 1 bij het binnenlopen van de haven.
In 1911 (weer op 9 juli) volgde een eerste serieuze test voor de Cadzandse roeiredders. ’s Morgens werden noodseinen gezien van twee schepen die wegens een harde wind en een wilde zee in de problemen raakten. De reddingvlet voer direct uit en bereikte na een half uur roeien het schip Christina. Eén roeier stapte over om de bemanning van het schip bij het binnenlopen van de haven te assisteren. Bij het schip Nunquam Perfectum gebeurde hetzelfde. Na twee uur waren de schepen en de reddingvlet behouden binnen.

In verband met de sterke getijstroom en de moeilijk toegankelijke haven werd in 1933 besloten voor Cadzand een motorvlet aan te schaffen: de Zeeuws-Vlaanderen. Twee jaar later verging deze vlet; niet door storm, maar door brand in het boothuis. Het boothuis werd herbouwd en de nieuwe vlet werd opnieuw Zeeuws-Vlaanderen gedoopt. Deze vlet werd in 1944 door de bezetter verwoest.
Een jaar eerder verichtten de Cadzandse redders een memorabele redding. Op 17 april 1943 redde de Zeeuws-Vlaanderen (2), met schipper C. van den Heuvel aan het roer, een Amerikaanse officier-vlieger, die bij de vaargeul Deurloo’ was neergestort. Schipper Van den Heuvel ontving voor deze redding de zilveren gesp van de ZHMRS. Het was in de geschiedenis van de maatschappij pas de tweede keer dat deze onderscheiding werd uitgereikt, wat de bijzonderheid van de reddingsactie onderstreept. Opstapper G.J. Beun ontving voor dezelfde actie de zilveren medaille van de maatschappij.

In 1954 werd begonnen met het veranderen van de dijk en de haven van de Sluis aan de Wielingen. Het boothuis moest daarom worden afgebroken. In 1955 werd het op een andere plaats herbouwd. In plaats van langs een botenhelling kon de boot nu via een kraan te water worden gelaten.

Begin jaren ’70 begon de KZHMRS met haar vlootvernieuwing. Cadzand was het tweede station dat daarvan de vruchten plukte. In 1973 kreeg het de beschikking over een snelle Atlantic 21 (30 knopen), de Tuimelaar. De opkomst van de watersport zorgde ervoor dat deze boot het drukker had dan elke andere Cadzandse reddingboot. Op 6 maart 1987 was de Tuimelaar betrokken bij de hulpverlening voor de gekenterde veerboot Herald of Free Enterprise. Van de vier ingezette Nederlandse reddingboten was de Tuimelaar als eerste ter plaatse. De bemanning van de Tuimelaar (en de andere Nederlandse reddingboten) werd later door de Consul-Generaal van België in Nederland toegesproken: “Velen van u zullen hun emoties hebben moeten wegdrukken, de blik op oneindig hebben moeten zetten en als het ware een automatisch mens hebben moeten worden. U zult ongetwijfeld spijtig zijn dat u niet meer hebt kunnen redden, maar wij zijn hier bij elkaar om uw helpende hand te bedanken”.

In 1997, toen de KZHMRS inmiddels was opgegaan in de KNRM, werd naast de Tuimelaar de Jacoba Elisabeth in Cadzand gestationeerd. Deze boot was twee meter langer, nog sneller en had beduidend meer (trek)kracht.

Cadzand kreeg in 1999 het nieuwe boothuis Han van Nievelt. Het boothuis doet dienst als stallingsplaats voor de reddingboot, als ontmoetings- en instructieruimte voor de bemanning en als vergaderruimte voor de plaatselijke commissie. Het nieuwe onderkomen beschikt tevens over een droog- en opslagruimte voor de overlevingspakken en een kleine werkplaats. En daarmee is het reddingstation Cadzand, dat begon met een ' werkeloos’ vuurpijltoestel, uitgegroeid tot een volwaardig reddingstation dat elk jaar acties verricht voor de beroeps- en recreatievaart.

De bemanning van het reddingstation bestaat voor 100% uit vrijwilligers. Zij worden bij een alarm opgeroepen door middel van een ' pieper’. Het streven is om binnen tien minuten na een alarm uit te varen.